Samenwerken

Landelijk, regionaal en lokaal

Samenwerking is de rode draad van het programma Zwangerschap en geboorte. Hiervoor zijn de afgelopen 4 jaar 9 multidisciplinaire consortia gevormd. De consortia vormen gezamenlijk het Kennisnetwerk Geboortezorg. Gynaecologen, verloskundigen, kraamverzorgenden en andere beroepsgroepen werken binnen een regio samen aan onderzoek en projecten die bijdragen aan een gezonde moeder, een gezonde zwangerschap en een gezond kind.

Koos van der Velden blikt terug

Als voorzitter van de ZonMw-programmacommissie is Koos van der Velden de aangewezen persoon voor een terugblik op het programma. De hoogleraar Public Health aan het Radboudumc is erg blij met de ontwikkeling van de multidisciplinaire kennisinfrastructuur binnen de 9 regionale consortia. Onderzoek op het gebied van preventie en organisatie van zorg mag volgens hem nog meer aandacht krijgen. Een terugblik.

De belangrijkste resultaten

“Ik ben er trots op dat het wetenschappelijk onderzoek vanuit ons programma echt multidisciplinair en lijnoverstijgend plaatsvindt. Je ziet dat dit zijn vruchten afwerpt: er is breed draagvlak in de regio voor onderzoek. Daardoor lukt het bijvoorbeeld goed om verloskundigenpraktijken te laten deelnemen aan onderzoek. En als de resultaten goed zijn, verloopt het doorvoeren van vernieuwingen ook best soepel.”

“Het sterftecijfer onder baby’s is omlaaggegaan sinds de start van het programma in 2011. Dat is prachtig! Dit is overigens niet alleen een resultaat van het programma, maar van vele inspanningen en vernieuwingen in de geboortezorg. De daling gaat steeds minder hard, dus we moeten er nu alles aan doen om dat cijfer nog verder naar beneden te krijgen. De sterfte vóór de geboorte is ook gedaald.”

De grootste uitdaging

“Wat het mooiste resultaat is – het multidisciplinaire onderzoek – was tegelijkertijd ook de grootste uitdaging. Er is veel gaande binnen de geboortezorg. Professionals krijgen te maken met veel ontwikkelingen die de zorg moeten verbeteren. Het was daardoor in sommige regio’s best een uitdaging om de regionale consortia te vormen die met alle beroepsgroepen samen onderzoek uitvoeren. Dat was ook nieuw: in gezamenlijkheid in de regio werken aan zorg en wetenschappelijk onderzoek.” “Wat nog moeizaam gaat, is de cliëntparticipatie. Het blijft lastig om zwangeren bij de zorg en het onderzoek te betrekken. Een paar consortia hebben een Moederraad opgericht, maar niet alle moeders willen daarin. Het zit ook niet in ons zorgsysteem om als cliënt mee te praten, in tegenstelling tot Engeland bijvoorbeeld; daar zit cliëntenparticipatie ingebakken. Ik verwijt mezelf dat we hiervoor onvoldoende aandacht hadden. De tijd was blijkbaar nog niet rijp. In Nederland zien we zwangeren ook niet als patiënten. En degene die al wel verenigd zijn in patiënten- of cliëntenorganisaties, kunnen nog meer professionaliseren. Als je daarvoor zorgt, dan dwingt de cliënt de professional tot meer tijd, beter luisteren en dus tot betere zorg.”

Ik ben trots dat het wetenschappelijk onderzoek vanuit ons programma echt multidisciplinair en lijnoverstijgend plaatsvindt

De mooiste opbrengst

“De multidisciplinaire regionale en landelijke kennisinfrastructuur door het oprichten van de 9 consortia vind ik wel de mooiste opbrengst van het programma. Alle partijen zijn betrokken bij een consortium. Dat moest ook wel, want consortia kwamen niet voor subsidie in aanmerking als zij niet professionals vanuit alle beroepsgroepen betrokken. De consortia zijn echt de motor van de samenwerking. Voordat zij werden opgericht, deden de verschillende professionals wel aan kennisontwikkeling, maar die kennis kwam niet automatisch terecht bij andere beroepsgroepen. Ik vind het mooi dat het programma dankzij de consortia veel aandacht heeft besteed aan kennisdeling. Die rol heeft het programma goed vervuld, meer dan verwacht.” “Door de consortia is niet alleen de samenwerking op het gebied van kennisontwikkeling en kennisdeling veranderd, maar ook op de werkvloer werken professionals meer samen. Ze hebben meer respect voor elkaar. Tien jaar geleden verliep de communicatie tussen de beroepsgroepen soms via de krant. Dat is gelukkig nu wel anders.”

De grootste tegenvaller

“Wat ik echt jammer vind, is dat de organisatie van de zorg nog niet overal breed genoeg ingestoken is. Ik had gehoopt dat het programma hieraan een nóg grotere bijdrage had geleverd. Zorg moet nog veel meer integraal georganiseerd worden. Er zijn soms nog te weinig verbindingen tussen disciplines en dat is pijnlijk. Ik vind bijvoorbeeld dat gemeenten en welzijn overal moeten deelnemen aan een consortium. Dat gebeurt soms wel, bijvoorbeeld in Rotterdam en Groningen, maar nog te weinig. Iedereen moet vanuit zijn eigen expertise betrokken zijn bij moeders en kinderen.”

Vier opvallende projecten

Centering Pregnancy: “Vrouwen enthousiast over groepsconsulten voor zwangeren”

“De deelnemende vrouwen zijn enthousiast over deze groepsconsulten voor zwangeren. Het principe van Centering Pregnancy lijkt te werken, kijk maar naar een thema als roken. Een verloskundige kan honderd keer zeggen dat het slecht voor je is, maar het helpt soms beter als een andere zwangere vrouw het tegen je zegt.”

Lees artikel >

Kwetsbare zwangeren: “Cruciale verbinding tussen zorg en welzijn”

“Bij dit project zijn ook gemeenten en welzijnspartners betrokken, waardoor je de zwangeren beter en gerichter kunt helpen. Die verbinding tussen zorg en welzijn is cruciaal!”

Lees artikel >

Action: “Mooie methode om verbeterpunten uit audit door te voeren"

“Dit is een succesvol project om de uitkomsten van perinatale audits beter te implementeren. De audit is een goed instrument om casussen multidisciplinair te bespreken. Het bleek alleen lastig om de verbeterpunten uit zo’n audit ook daadwerkelijk door te voeren. Hiervoor is de Action-methodiek ontwikkeld. En met succes: in veel VSV’s zijn verbeteringen doorgevoerd en bestendigd.”

Lees artikel >

Het geboortecentrumonderzoek: “Ingewikkeld onderzoek, maar met nuttige uitkomsten”

“Dit was een zeer ingewikkeld onderzoek, want er waren veel partijen bij betrokken. Maar we weten nu veel beter hoe zwangeren hun bevalling in een geboortecentrum ervaren. ”

Lees artikel >

De grootste wens voor de toekomst

“Ik hoop dat preventie nu echt van de grond komt. Preventie loopt nog achter, volgens mij deels omdat de organisatie van zorg nog niet perfect is. Om preventie goed uit te voeren, moet je goed georganiseerd zijn. Elkaar kennen en betrekken. Ik hoop dat de consortia dit gaan oppakken, hier liggen kansen. Welzijn en leefstijl moeten veel meer aandacht krijgen, met name voor kwetsbare zwangeren. Zwangeren die bijvoorbeeld schulden hebben of met geweld te maken hebben, krijgen kwetsbare kinderen.” “Als je naar het totaalplaatje kijkt, hebben we mooie resultaten geboekt. Geboortezorg heeft dankzij het programma een koploperspositie als het gaat om vernieuwing van de zorg in Nederland. Maar we zijn er nog niet, dus het is goed dat er een vervolgprogramma is. Dat heeft de minister gelukkig ook ingezien. Alles wat je investeert betaalt zich later uit. Investeren aan de voorkant betekent later minder zorgkosten!”

Portret

Wie is Koos van der Velden?

Koos van der Velden is hoogleraar Public Health aan het Radboudumc. In december 2009 was hij voorzitter van de stuurgroep die het advies ‘Een goed begin’ uitbracht. Dit vormde de aanleiding voor het eerste programma Zwangerschap en geboorte van ZonMw, dat liep van 2011 tot 2017. Begin 2017 is het programma Zwangerschap en geboorte II van start gegaan. Het vervolgprogramma bouwt voort op de kennis en kennisinfrastructuur die in het eerste programma zijn ontwikkeld. Ook hiervan is Van der Velden voorzitter.

Het succes van de consortia: wat zijn de ingrediënten?

Een mooi resultaat van het eerste programma Zwangerschap en geboorte is de goede samenwerking binnen en tussen de 9 consortia. De gynaecologen, verloskundigen, kraamverzorgenden, kinderartsen en andere professionals blijken elkaar goed te kunnen vinden. Een succesvol consortium, wat is ervoor nodig? Betrokkenen van 3 consortia benoemen 6 succesfactoren.

1. Wederzijds begrip tussen de beroepsgroepen

Gea Vermeulen

Gea Vermeulen, voorzitter Netwerk Geboortezorg Noordwest Nederland:

“We hebben het consortium opgericht met als primair doel om kennis te ontwikkelen en te delen en de VSV’s hiermee te steunen. Kennis delen gebeurde daarvóór nog te weinig, zeker niet tussen beroepsgroepen. Inmiddels hebben we daarin echt stappen gezet. Iedereen moet zich realiseren dat alle disciplines met een andere bril op kijken en andere zaken uitlichten. Als je je daarvan bewust bent, begrijp en respecteer je elkaar meer.”

Henk Groen

Henk Groen, projectleider consortium Noord-Nederland:

“De samenwerking tussen beroepsgroepen is echt verbeterd. Natuurlijk streven we naar integrale geboortezorg, daar ondersteunen we de VSV’s ook bij. Gelukkig zijn steeds meer disciplines vertegenwoordigd in de VSV's. Je moet de juiste personen op de juiste plek zetten. Dan verbeter je de samenwerking, je begrijpt elkaars werkwijze en je respecteert elkaars mening. Dat is een proces dat bij het ene VSV sneller gaat dan bij het andere.”

Hanneke Torij

Hanneke Torij, projectleider consortium Zuidwest-Nederland:

“We hadden twee doelstellingen: verbeteren van de kwaliteit van de geboortezorg én verbeteren van de samenwerking tussen geboortezorgprofessionals en partners. Vanuit het Erasmus MC en Hogeschool Rotterdam hebben we daarom in 2011 het initiatief genomen om dit consortium op te zetten. We vroegen alle partijen in de regio om mee te doen. Iedereen kon meepraten en deed dat ook! Het unieke aan onze aanpak is dat we ook partijen betrokken zoals gemeenten, centra voor jeugd en gezin, onderwijspartners en kennisinstituten. Zo bekijken we onderwerpen vanuit meerdere perspectieven, waardoor het onderling begrip groeit.”

2. Kennisvragen ophalen in de praktijk

Vermeulen: “We doen ons best om kennisvragen zoveel mogelijk uit de praktijk te halen. We vragen heel bewust aan alle beroepsgroepen waar ze behoefte aan hebben. Bijvoorbeeld welke protocollen voorrang moeten hebben of welke kennis bij hen nog ontbreekt. Het consortium is van ons allemaal. Van verloskundigen, de jeugdgezondheidszorg, kraamzorg én de gynaecologen. De voorstellen voor nieuwe onderzoeken komen gelukkig steeds vaker van allerlei disciplines, dat is mooi.”

Groen: “We hebben steeds vinger aan de pols gehouden bij alle betrokkenen; doen we de juiste dingen? Welke thema’s spelen er, wat zijn de behoeften van medewerkers in het veld? Met die input hebben we de projecten gekozen.”

Torij: “We hebben de deelnemers regelmatig gevraagd waar ze tegenaan liepen en wat ze belangrijk vinden. Dat was het uitgangspunt om gezamenlijk kennis te ontwikkelen, uit te wisselen en uiteindelijk door te voeren in de praktijk, het beleid en het onderwijs. Ons belangrijkste doel was om elkaar te leren kennen en om de samenwerking en de kwaliteit van de geboortezorg te verbeteren. Dit hebben we gerealiseerd door met elkaar nieuwe kennis te ontwikkelen, te delen en te gebruiken.”

3. Bruikbare opbrengsten

Vermeulen: “Een mooi voorbeeld is ons multidisciplinaire protocol zwangerschapsdiabetes. Dat is gemaakt met alle betrokkenen op dit terrein, inclusief de Geboortebeweging namens de cliënten. Iedereen had een volstrekt gelijkwaardige rol. Het vergde veel debat, maar het resultaat is een heel bruikbaar protocol, dat niet alleen medisch is, maar waarin zorg, welzijn en cliëntvoorkeuren geïntegreerd zijn. Voor het invoeren van de regioprotocollen hebben we een app ontwikkeld, waarin ook de landelijke richtlijnen van beroepsverenigingen staan. Die app is zo’n succes dat deze nu landelijk beschikbaar komt.”

Groen: “We hebben activiteiten ontplooid die echt nuttig zijn in de praktijk voor VSV’s, zoals een handreiking voor kwetsbare zwangeren. Al veel verloskundigen hebben die gedownload. Maar ook hebben we drie praktijkkaarten ontwikkeld, over hypertensie, foetale groeivertraging en foetale bewaking, die alle VSV’s hebben ontvangen. En ze worden gebruikt! Daarnaast hebben we de dataregistratie en cliëntparticipatie verbeterd.”

Torij: “In onze regio bleek vooral behoefte te zijn aan het verbeteren van de zorg voor kwetsbare zwangeren. We hebben met elkaar op basis van de onderzoeksresultaten twee thema’s geselecteerd waarmee we aan de slag zijn gegaan. Dit leidde tot een blauwdruk waarmee elk VSV de zorg voor kwetsbare zwangeren kan structureren. Lees het artikel. Maar ook zijdelings – gelieerd aan grotere onderzoeksprojecten – hebben we bruikbare middelen ontwikkeld. Zo hebben studenten onderzoek gedaan naar wensen en behoeften van zwangeren met een licht verstandelijke beperking. Vervolgens hebben ze een film ontwikkeld om deze vrouwen adequaat voor te lichten over echoscopie.”

4. Een goede (kennis)infrastructuur

Torij: “We hebben een infrastructuur opgezet waarbij kennis op verschillende manieren wordt gedeeld. Zo heeft iedereen toegang tot die kennis. Voorheen was ieder binnen zijn eigen VSV mooie producten aan het ontwikkelen, maar dat wisten we niet van elkaar. Nu delen we kennis en oplossingen. En dat blijven we doen: 4 keer per jaar organiseren we een minisymposium of regiobijeenkomst waar onderzoekers, beleidsmakers, docenten, studenten en professionals kennis en ervaringen delen. We hebben een infrastructuur gebouwd en elkaar leren kennen. Het thema ‘kwetsbare zwangeren’ bleek daarvoor een goed startpunt.”

Vermeulen: “Ik vind het mooi dat we de cliëntenbeweging ook echt hebben omarmd. Het eerste jaar was er nog de discussie of cliënten wel een plek moesten krijgen in de aansturing van het consortium. Nu nodigen we ze gewoon uit om mee te beslissen over de keuze en inhoud van onze onderzoeksvoorstellen. Daardoor hebben ze echt invloed op de kwaliteit van zorg.”

Groen: “Friesland was al ver met het bij elkaar brengen van alle disciplines, Drenthe en Groningen zijn daarbij aangehaakt. Vanuit de grote groep betrokkenen hebben we een goede structuur neergezet, met een stuurgroep die alle activiteiten coördineert en per project een projectgroep. De andere professionals zetten we in als ‘klankbord’ en we betrekken hen via bijeenkomsten regelmatig bij onderzoeken en projecten.”

5. De opleiding erbij betrekken

Torij: “We dragen actief bij aan innovaties in het onderwijs, door kennis uit het regionaal consortium via colleges in te brengen in het onderwijs. Ook doen studenten in het kader van minors en afstudeeropdrachten onderzoek binnen het regionaal consortium en bij partners. Ook nodigen we studenten en docenten uit voor de regiobijeenkomsten en minisymposia. Zo stimuleren we al vroeg de samenwerking tussen (toekomstige) professionals.”

Groen: “We gaan een gezamenlijke onderwijsdag organiseren voor alle partijen uit de geboortezorg. Als je mensen al in de opleiding bij elkaar brengt, zorg je dat ze vanaf het begin beter van elkaar begrijpen wat ze doen.”

Vermeulen: “De studenten zijn aanwezig bij onze regiobijeenkomsten en symposia. En we koppelen studenten aan onderzoekers, zodat ze met hun thesis en projecten een bijdrage kunnen leveren aan het multidisciplinaire onderzoek.”

6. Een actieve, enthousiaste coördinator

Vermeulen: “Een goede coördinator is cruciaal! Die van ons is onvermoeibaar, ze is erg actief en ging overal op bezoek. De coördinator zorgt er voortdurend voor dat alle disciplines zich betrokken voelen.”

Groen: “Ook wij hebben een hele goede coördinator, dat helpt echt. Zij is de motor achter het consortium, heeft veel geregeld en alle contacten gelegd.”

Torij: “Vanaf het begin hebben we een enthousiaste coördinator. Het is een duizendpoot die overal komt, presentaties geeft en verbindingen legt. Ze is bovendien verantwoordelijk voor alle communicatie. Die combinatie maakt dat iedereen haar kent en dat ze heel laagdrempelig benaderbaar is. Dat is belangrijk!”


Bekijk alle regionale consortia op de landkaart. De consortia zelf delen hun resultaten ook, zie hier een mooie publicatie van het Verloskundig consortium Limburg.

9 consortia schrijven samen wetenschappelijk artikel

De 9 consortia zijn samen bezig met het schrijven van een wetenschappelijk artikel. Het artikel beschrijft de regionale variaties in uitkomsten van de geboortezorg. Daarnaast bespreken de auteurs hoe de cijfers in de loop der jaren veranderd zijn dankzij het werk binnen de consortia.

Noortje van Duijnhoven

De basis voor het artikel werd in 2014 gelegd. Tijdens het halfjaarlijks overleg met alle consortia bleek iedereen te worstelen met dezelfde problemen. “Met name de inhoud van de dataset, nodig voor de wetenschappelijke evaluatie van het consortium, bleek een struikelblok”, herinnert Noortje van Duijnhoven zich. Zij is coördinator van het consortium ‘Oost NL bevalt goed’ en onderzoeker aan het Radboudumc. “Niet iedereen had ervaring met Perined data. Wilden we vergelijkbare data aanleveren en regio’s naast elkaar leggen, dan moesten we allemaal op dezelfde manier analyseren.” Toen werd besloten een werkgroep op te richten, met van ieder consortium een afgevaardigde met onderzoekservaring.

De taak van Perined is het vergroten van de kwaliteit van de perinatale zorgverlening in Nederland. Hiervoor richt Perined zich op de perinatale audit en de perinatale registratie. De audit gebruikt de beroepsgroep om zwangerschappen met een slechte afloop te bespreken en hiervan te leren. De sectorbrede registratie is van grote waarde voor onderzoek, vergelijking en indicatoren.

Meer doen met cijfers

In eerste instantie was het doel van deze werkgroep alleen om gezamenlijke afspraken te maken met Perined en dat is gelukt. De werkgroep heeft met Perined een minimale dataset voor evaluatie van de consortia vastgesteld. Ook zijn de regiogrenzen per consortium bepaald. Op die manier kon elk consortium zijn eigen zorguitkomsten evalueren, op basis van een identieke analyse. Maar tijdens de overleggen bedachten de deelnemers dat het zonde was om niet méér te doen met de beschikbare cijfers. In het najaar van 2015 ontstond het idee om een artikel te schrijven over variaties in geboortezorguitkomsten binnen Nederland. Daarvoor werd een schrijfclub geformeerd, opnieuw in samenwerking met Perined.

Verschillen laten zien

In 2016 was de eerste versie van het artikel klaar. Dit ging over de cijfers 2011-2012 (de nulmeting) en liet de variaties zien tussen de 9 regionale consortia. Van Duijnhoven: “Ons doel was openheid te bieden in die variaties om de bewustwording te vergroten. Het ging nadrukkelijk niet om het classificeren van regio’s of om te suggereren dat in de ene regio betere of slechtere geboortezorg wordt geleverd. We wilden laten zien dat die variaties er nu eenmaal zijn, in de hoop dat daarover open wordt gecommuniceerd binnen en tussen regio’s. Daarnaast vormen die variaties een onderbouwing voor verschillen in regionaal beleid en prioriteiten.”

Ons doel was variaties tussen regio’s te laten zien, om de bewustwording te vergroten.

Boodschap te mager

Toen het artikel bijna afgerond was, ontstond de discussie of de boodschap niet te mager was. De focus lag op regionale variatie en niet op de resultaten van de consortia, terwijl de cijfers tot en met 2014 inmiddels wel beschikbaar waren. Een vergelijking met de nulmeting, die is afgenomen voorafgaand aan de vorming van de consortia, was dus mogelijk. De optie leidde tot veel discussie in de werkgroep; wel of niet wachten met publicatie? “Uiteindelijk was een meerderheid voor uitbouwen. Dus we laten nu ook zien hoe de cijfers in de loop der tijd veranderd zijn.” Het artikel met de resultaten wordt nu aangeboden aan een internationaal tijdschrift. De verwachting is dat dit in 2018 geplaatst wordt.

Bloeddrukmeten

Samen schrijven

Hoe doe je dat, met veel mensen samen aan een artikel werken? “We hebben de onderdelen van het artikel, zoals inleiding, methode, resultaten en discussie, verdeeld. In fasen hadden we een stuk klaar, dat bespraken we dan met elkaar. Een van ons voegt alles bij elkaar en zorgt dat de schrijfstijl enigszins overeenkomt. Dat is natuurlijk niet altijd makkelijk en minder efficiënt”, erkent Van Duijnhoven. “Maar het gaat net zo goed om het proces als om het eindresultaat. We hebben elkaar gevonden in het proces en dat is belangrijk, omdat dat de samenwerking tussen alle regio’s bevordert. Het doel van het ZonMw-programma was ook meer samenwerking en de uitkomsten inzichtelijk maken voor de achterban. Daaraan hebben we hopelijk iets bijgedragen.”

Uitkomsten vergelijken

In het artikel worden de uitkomsten tussen regio’s genoemd en de verschillen tussen de nulmeting en nameting. Enkele uitkomsten die zijn vergeleken:

  • Interventies, zoals verschillende typen pijnbestrijding, het inleiden van de baring, het percentage kunstverlossingen en keizersneden.
  • De perinatale sterfte
  • Premature geboorte
  • Congenitale afwijking
  • Laag geboortegewicht voor de betreffende zwangerschapsduur
  • Lage Apgar-score
  • Percentage meerlingen.
Top